Middelen bij hoge bloeddruk

Inleiding

Antihypertensiva zijn middelen die worden gebruikt om verhoogde bloeddruk (hypertensie) omlaag te brengen. Behandeling van hoge bloeddruk is geen behandeling van een ziekte maar een preventieve behandeling om hart- en vaatziekten te voorkomen. Van diuretica (vochtafdrijvende middelen) en bètablokkers is in veel studies het gunstige preventieve effect bewezen: de middelen verkleinen de kans om aan hart- en vaatziekten te overlijden. Zij zijn daarom de eerste keuze bij de behandeling van hypertensie wanneer er geen andere ziekten tegelijk aanwezig zijn. Hoe groter het risico voor de individuele patiënt - dus hoe meer risicofactoren of hoe ernstiger de hypertensie - des te groter is de kans op voordeel van de behandeling voor de patiënt.

Stoppen met roken heeft meer resultaat dan medicamenteuze behandeling van een matige bloeddrukverhoging. Verandering van leefstijl is meestal effectiever dan behandeling met medicijnen, en kent minder bijwerkingen. Antihypertensiva worden voorgeschreven als bloeddrukverlaging niet bereikt kan worden door alleen veranderingen aan te brengen in de leefwijze.

Het bloeddrukverlagende effect van de behandeling kan na zes weken beoordeeld worden. Bij onvoldoende resultaat van therapie met één middel heeft het combineren van twee middelen de voorkeur boven het overgaan op een andere bloeddrukverlager. Het is zinvol elk jaar een poging te doen de dosering te verminderen.

De meest gebruikte typen antihypertensiva zijn ACE-remmers, plastabletten (diuretica), bètablokkers, alfa-1-receptorblokkers, calciumantagonisten en centraal werkende antihypertensiva.
 

Werking

De bloeddruk stijgt als het hart een grote hoeveelheid bloed rondpompt of als de bloedstroom veel weerstand ondervindt in de bloedvaten. Antihypertensiva verlagen de bloeddruk dan ook door verwijding van de vaten, waardoor de bloedstroom minder weerstand ondervindt, óf door het bloedvolume te verminderen. Verschillende middelen bereiken dit resultaat op verschillende manieren. Zo werken ACE-remmers op enzymen in het bloed om de vaten te verwijden en calciumantagonisten op de spieren in de wanden van slagaders om vernauwing tegen te gaan. Alfa-1-receptorblokkers en bètablokkers blokkeren de zenuwsignalen die de bloedvaten vernauwen en centraal werkende middelen richten zich op de plaatsen waar in de hersenen de grootte van de bloedvaten wordt gereguleerd. Diuretica werken op de nieren om het bloedvolume omlaag te brengen.
 

Toepassing

De keuze van een antihypertensivum hangt af van de mate waarin de bloeddruk is verhoogd en of er eventueel sprake is van een andere aandoening waardoor het gebruik van een bepaald antihypertensivum niet mogelijk is. In het begin wordt bij licht of matig verhoogde bloeddruk één enkel middel gebruikt. Dikwijls is dat een diureticum, maar andere middelen, zoals bètablokkers, calciumantagonisten of ACE-remmers komen hiervoor ook in aanmerking. Als één enkel middel de bloeddruk niet voldoende omlaag brengt, kan een diureticum in combinatie met een van de andere middelen worden gebruikt. Sommige mensen met matig verhoogde bloeddruk kunnen een derde antihypertensivum nodig hebben om de bloeddruk onder controle te krijgen. In dergelijke gevallen kan daarvoor een vaatverwijdend middel, een centraal werkend antihypertensivum of een alfa-1-receptorblokker worden gebruikt. Ernstig verhoogde bloeddruk wordt doorgaans behandeld met een combinatie van verscheidene middelen, waarvan zelfs vrij hoge doses nodig kunnen zijn. De arts moet soms verschillende middelen proberen voordat de juiste combinatie gevonden wordt.
 

Bijwerkingen, contra-indicaties en voorzorgsmaatregelen

De bijwerkingen van antihypertensiva verschillen per middel. Plastabletten (diuretica) kunnen de chemische balans in het lichaam verstoren, waardoor een tekort aan kalium kan ontstaan. Dit kan tot verwarring, algehele zwakte en een abnormaal hartritme leiden. Kaliumsupplementen, kaliumrijk voedsel en het gebruik van een kaliumsparend diureticum kunnen zo'n tekort voorkomen. Sommige diuretica kunnen de bloedsuikerspiegel doen stijgen, wat bij mensen met diabetes tot complicaties kan leiden.

Omdat bètablokkers krampen in de luchtwegen kunnen veroorzaken, kunnen zij ademhalingsmoeilijkheden als bijwerking hebben. Bètablokkers die specifiek op het hart werken (cardioselectieve bètablokkers) hebben niet altijd deze bijwerking, maar mensen met astma, bronchitis of een andere aandoening aan de luchtwegen moeten er voorzichtig mee zijn. Bètablokkers kunnen de circulatie in de armen en benen verslechteren, wat kan leiden tot koude handen en voeten. Na langdurig gebruik van bètablokkers en centraal werkende antihypertensiva mag het gebruik hiervan niet plotseling worden gestopt, want dan kan de bloeddruk sterk stijgen en kunnen de symptomen terugkomen. Centraal werkende antihypertensiva kunnen duizeligheid teweegbrengen.

Calciumantagonisten kunnen de oorzaak zijn van duizeligheid (vooral in staande houding), flauwvallen, hoofdpijn, blozen en gezwollen enkels.

ACE-remmers, vasodilatantia (vaatverwijdende middelen) en alfa-1-receptorblokkers kunnen tot een te lage bloeddruk leiden. Daarom is het goed te gaan zitten of liggen als men de eerste dosis van een dergelijk middel inneemt.
 

Meer informatie

Kijk in de geneesmiddelenencyclopedie voor uitgebreide informatie over vrijwel alle in Nederland verkrijgbare geneesmiddelen.

Informatie van het Nederlands Huisartsen Genootschap over hoge bloeddruk
nhg.artsennet.nl

Het onderbouwd voorschrijven van antihypertensiva. Geneesmiddelenbull 1999; 33: 103-10.

Jong-van den Berg ITW de, Zondervan HA. Medicamenteuze behandeling van hypertensie in de zwangerschap. Geneesmiddelenbull 1998; 32: 27-33.

Meiracher AH van den, Dees A. Hypertensieve crisis: definitie, pathofysiologie en behandeling. Ned Tijdschr Geneeskd 1999; 143: 2185-90.

Mulrow CD, Cornell JA, Herrera CR, et al. Hypertension in the elderly. Implications and generalicability of randomized trials. JAMA 1994; 272: 1932-8.

Henry, J.A. (2001), "Heart and Circulation" in: New Guide to Medicines and Drugs, 5th edn, Dorling Kindersley, London.

Rang, H.P., Dale, M.M. & Ritter, J.M. (1999), "The vascular system", in: Pharmacology, 4th edn, Churchill, Livingstone, London.

Stoelting, R (1999), "Renin, Plasma Kinins and Serotonin" in: Pharmacology and Physiology in Anesthetic Practice, 3rd edn, Lippincott-Raven Publishers, Philadelphia.
 
Bron:
LSHTM
Copyright:
Medic Info
Datum:
21/04/2005
Disclaimer

ADVERTENTIE