advertentie

Normale ontwikkeling van talg- en zweetklieren

ADVERTENTIE

Inleiding


De talg- en zweetklieren zijn structuren die deel uitmaken van het beschermend omhulsel van het lichaam dat tevens bestaat uit de huid , het haar en de nagels.
Talgklieren worden bijna overal in de huid aangetroffen, maar vooral op het voorhoofd, de kin, het middelste deel van de rug, in de gehoorgangen en rond de uitwendige geslachtsorganen. Ze produceren een vettige stof, talg of sebum genaamd, die de huid afdekt, smeert en vochtverlies via het huidoppervlak tegengaat.
Van zweetklieren bestaan twee vormen; de eccriene zweetklieren, dit zijn kleine kliertjes die over het gehele lichaam voorkomen, en de apocriene zweetklieren, die zijn verbonden met haarzakjes. Apocriene klieren komen ook over bijna het gehele lichaam voor, maar vooral in de oksels, op de handpalmen en voetzolen, het voorhoofd, de tepelhof (gekleurde kring om de tepel) en het gebied van het schaambeen. Ze produceren zweet als reactie op warmte, waarna het zweet van de huid verdampt en het lichaam wordt afgekoeld.
 

Embryonale stadium


Deze periode loopt omvat de eerste acht weken na de bevruchting. De talg- en zweetklieren worden in deze fase meestal nog niet gevormd.
 

Foetale stadium


Deze periode loopt van de negende week na de bevruchting tot aan de geboorte. De talgklieren komen tussen de dertiende en zestiende week vanuit de buitenwanden van de zich ontwikkelende haarzakjes als knopjes tevoorschijn. Deze vroege knopjes ontstaan vanuit cellen die de kiemlaag van de opperhuid vormen. De knopjes breiden zich uit tot in het omringende bindweefsel en vertakken zich tot een reeks talgklierknopjes. Vervolgens ontstaat uit de afbraak van de centrale cellen van deze knopjes een vettige afscheiding, genaamd talg (sebum). De talg wordt afgegeven aan de haarzakjes en komt vervolgens op het huidoppervlak terecht. Daar vermengt de talg zich met de bovenste huidlaag, die samen met de haren van de zich ontwikkelende huid de vernix caseosa vormt, een witte en vettige stof die de foetus bedekt.
Op bepaalde delen van het lichaam ontstaan de talgklieren direct als knopjes uit de opperhuid en zijn niet verbonden aan haarzakjes. Het ontwikkelingsverloop van deze talgklieren komt sterk overeen met dat van talgklieren bij haarzakjes, alleen bevindt zich de opening van deze klieren direct aan het huidoppervlak en niet bij een haarzakje.

De ontwikkeling van de eccriene zweetklieren begint vroeg in het foetale stadium, ongeveer in de negende week. In eerste instantie is een netwerk van bindweefselkussentjes (het mesenchym) zichtbaar op de handpalmen en voetzolen. Vervolgens, ongeveer van de twaalfde tot en met de veertiende week, ontstaan de zweetklieren in de vorm van dichte instulpingen in de opperhuid, die doorlopen tot in de zich ontwikkelende lederhuid. Omstreeks de zestiende week worden de uiteinden van de instulpingen opgerold tot het productafscheidende (secretoire) gedeelte van de zweetklieren. Vervolgens nemen de verbindingen van de zweetklieren met de opperhuid de vroege vormen van de afvoergangen van de zweetklieren aan. Omstreeks de vijfentwintigste week beginnen de centrale cellen van deze doorgangen in verval te raken en worden afvoergangen gevormd met een opening in het huidoppervlak.
Daarnaast ontwikkelen de apocriene zweetklieren zich als instulpingen in de basale laag van de opperhuid nabij de haarzakjes en worden ongeveer in de 25e week herkenbaar. Deze zweetklieren hebben geen openingen direct aan het huidoppervlak, maar komen uit in de haarzakjes boven de openingen van de talgklieren.
 

Neonatale stadium


Tegen de geboorte is de ontwikkeling van zowel de talgklieren als de zweetklieren bijna voltooid. De eccriene zweetklieren beginnen kort na de geboorte te werken; de apocriene zweetklieren beginnen pas volop te werken tijdens de puberteit.
 

Stoornissen in de ontwikkeling van de klieren


Tijdens de ontwikkeling van de talg- en zweetklieren kunnen er stoornissen optreden. Zo kunnen ophopingen van talgklieren voorkomen op plaatsen waar deze normaal niet voorkomen, zoals bij de mond. Tevens kan bij bepaalde aangeboren huidaandoeningen, zoals anhidrotische ectodermale dysplasie, een verminderd aantal talgklieren en volledige of gedeeltelijke afwezigheid van zweetklieren worden waargenomen.
 

Meer informatie


Informatie over talg- en zweetklieren
http://www.huidarts.info
http://www.huidarts.com
http://www.huidziekten.nl


Informatie over de babyhuid
http://www.huidarts.com

http://embryology.med, [Accessed: 2005, July 12]. (Engels)
The University of New South Wales (1999), Development of Skin, Hair and Nails, [Online],

Chu, D.H., Haake, A.R., Holbrook, K. and Loomis, C.A. (2003), The Structure and Development of Skin, in: Freedberg, I.M., Eisen, A.Z., Wolff, K., Austen, K.F., Goldsmith, L.A. and Katz, S.I. (eds), Fitzpatrick’s Dermatology in General Medicine, 6th ed, vol.1, The McGraw-Hill Companies, Inc., New York. (Engels)

England, M.A. (1996), Life Before Birth, 2nd ed, Mosby-Wolfe, London. (Engels)

Larsen, W.L. (1997), Human Embryology, 2nd ed, Churchill Livingstone, New York. (Engels)

Moore, K.L. and Persaud, T.V.N. (2003), The Developing Human – Clinically Oriented Embryology, 7th ed, Saunders, Philadelphia. (Engels)

Sybert, V.P. (2003), Ectodermal Dysplasias, in: Freedberg, I.M., Eisen, A.Z., Wolff, K., Austen, K.F., Goldsmith, L.A. and Katz, S.I. (eds), Fitzpatrick’s Dermatology in General Medicine, 6th ed, vol.1, The McGraw-Hill Companies, Inc., New York. (Engels)

Tortora, G.J. and Grabowski, S.R. (2003), Principles of Anatomy & Physiology, 10th ed, John Wiley & Sons, New York. (Engels)

 
Bron:
LSHTM
Copyright:
Medic Info
Datum:
27/11/2008
Disclaimer
advertentie