Normale ontwikkeling van huid en onderhuids bindweefsel

Inleiding


De ontwikkeling van de huid en het onderhuids bindweefsel verloopt in drie ontwikkelingsstadia; het embryonale, foetale en neonatale stadium. Het embryonale ontwikkelingsstadium begint op het moment van de bevruchting en duurt acht weken. De ongeboren vrucht wordt in dit stadium embryo genoemd. Het foetale ontwikkelingsstadium begint in de negende week en eindigt bij de geboorte. Het ongeboren kind wordt dan foetus genoemd. Het neonatale stadium bestrijkt de eerste vier weken na de geboorte. In deze periode wordt de pasgeborene ook wel neonaat genoemd.
Een mens ontwikkelt zich uit drie primaire kiemlagen, het ecto-, meso- en endoderm. De opperhuid ontstaat uit de laag die het ectoderm wordt genoemd en de lederhuid en het onderhuids bindweefsel ontstaan uit het mesoderm, dit is de laag onder het ectoderm.
 

Embryonale periode


Deze periode omvat de eerste acht weken volgend op de bevruchting. De ontwikkeling van de huid en het onderhuids bindweefsel begint na drie à vier weken. In het begin bestaat de opperhuid uit slechts één laag cellen van het ectoderm. In de zesde week vindt vermenigvuldiging (proliferatie) en verandering van aard en functie (differentiatie) van deze cellen plaats. Vervolgens vormen de cellen twee afzonderlijke lagen; een buitenste laag afgeplatte cellen, periderm of epitrichium genaamd, en een binnenste laag kubusvormige cellen, die basale laag, stratum basale of stratum germinativum wordt genoemd. De cellen van het periderm verharden voortdurend doordat keratine, een taai en hard eiwit, wordt afgezet. Dit proces wordt verhoorning (keratinisatie) genoemd. Vervolgens schilferen deze cellen van het periderm en worden vervangen door cellen die naar boven bewegen vanuit de basale laag. De afgeschilferde cellen van het periderm maken, samen met talg (sebum) en haren, deel uit van de vernix caseosa, dit is een vettige stof die de huid van de foetus bedekt. De vernix caseosa beschermt de huid tegen de voortdurende inwerking van het vocht dat de foetus omgeeft (het vruchtwater), dat onder meer de urine van de foetus bevat.
In dit stadium zijn ook de cellen van de basale laag ononderbroken aan het groeien, vermenigvuldigen en ontwikkelen, om uiteindelijk de verschillende cellagen van de opperhuid te gaan vormen.
Aan het eind van de embryonale periode veranderen cellen uit de neurale kam in melanoblasten, dit zijn voorlopers zijn van de pigmentproducerende cellen in de huid (de melanocyten). De melanoblasten verplaatsen zich naar de grens tussen de opperhuid en lederhuid, waar ze veranderen in melanocyten. De Langerhanscel, een andere opperhuidcel die een rol speelt bij de afweer, wordt ook omstreeks de zevende tot achtste week waarneembaar.
In de overgang van embryonaal naar foetaal stadium is onder de lederhuid een fijn raster van bloedvaatjes zichtbaar en kan een netwerk van bindweefsel worden onderscheiden van de eronder liggende weefsels. Deze laag wordt het mesenchym genoemd.
 

Foetale periode


De foetale periode loopt van de negende week na de bevruchting tot aan de geboorte. In deze tweede fase van de ontwikkeling beginnen de gespecialiseerde cellen van het ectoderm en mesoderm specifieke weefsels met de daarbij behorende structuren te vormen.
Het foetale stadium is een belangrijke fase in de ontwikkeling en groei van de huid en het onderhuids bindweefsel waarin een groot aantal veranderingen kan worden waargenomen. In de elfde week vormen cellen uit de basale laag een middelste laag tussen de twee al bestaande lagen. Deze cellen hierin blijven in sterke mate in aantal toenemen, groeien en zich specialiseren. Op deze manier ontstaat een meerlaagse structuur die uiteindelijk alle vijf lagen van de opperhuid bevat: de basale laag (stratum basale), stekelcellenlaag (stratum spinosum), korrellaag (stratum granulosum), lichtbrekende laag (stratum lucidum) en hoornlaag (stratum corneum). De ontwikkeling van de verschillende opperhuidlagen is na twaalf weken voltooid.

De cellen van de basale laag vormen daarnaast in ongeveer de tiende week instulpingen, dermatoglyfen genaamd, die naar beneden reiken tot in de zich ontwikkelende lederhuid. In de zeventiende week nemen deze definitief hun vaste vorm aan. Met elkaar vormen deze instulpingen een herkenbaar patroon van verhevenheden en inkervingen die eruitzien als rechte lijnen, lussen of spiralen op de handpalmen en voetzolen. Deze patronen zijn erfelijk bepaald, aanwezig bij de geboorte en per persoon uniek. Ze veranderen niet tijdens het leven en worden daarom ook gebruikt voor identificatie aan de hand van vinger- of voetafdrukken.

Na zestien weken wordt melanine, een pigmentstof die door de melanocyten wordt geproduceerd, waarneembaar. Bij twintig weken wordt dit melanine overgebracht naar de cellen van de opperhuid (keratinocyten) en geeft de huid op deze manier haar specifieke kleur geeft. De tastlichaampjes van Merkel in de opperhuid worden ook in deze ontwikkelingsperiode, omstreeks de elfde of twaalfde week, zichtbaar.

Gelijktijdig met deze ontwikkelingen beginnen de cellen van het mesenchym in de elfde week de collageenvezels en elastische vezels van de lederhuid te produceren. Wanneer de patronen in de opperhuid ontstaan, begint de lederhuid ook uit te steken in de opperhuid en verhevenheden (papillae) te vormen. In dit gedeelte van de lederhuid ontstaat ook een aantal bloedvaatjes in de vorm van lussen, waaruit veel nieuwe bloedvaatjes vertakken. De bloedvaatjes worden vervolgens bekleed met spierweefsel en veranderen daarmee in slagaders en aders voor de bloedvoorziening van de huid. De ontwikkeling van zenuwen in de lederhuid begint ongeveer tegelijkertijd met die van bloedvaatjes. De zenuwen zorgen ervoor dat de huid kan reageren op diverse prikkels, zoals aanraking, druk, trilling, jeuk, temperatuur en pijn.

Tegen de dertiende week kan ook het onderhuids bindweefsel (de subcutis) worden onderscheiden van de lederhuid die erboven ligt. Hierna veranderen de voorlopers van de vetcellen in het onderhuids bindweefsel en gaan vet aanmaken.
 

Neonatale periode


De neonatale periode begint met de geboorte en duurt vier weken. De ontwikkeling van de huid en het onderhuids bindweefsel is bijna voltooid tegen de tijd dat het kind wordt geboren en de structuur hiervan vertoont in deze periode dan ook geen opmerkelijke verandering. Bij de geboorte zijn alle lagen van de opperhuid aanwezig en ook de productie van melanine is al voor de geboorte begonnen. De huid van de baby is bij de geboorte meestal bedekt met vernix caseosa, een stof die de huid glad maakt.
 

Stoornissen in de ontwikkeling van huid en onderhuids weefsel

Er kunnen zich ten aanzien van de ontwikkeling van de huid en het onderhuids bindweefsel een aantal ontwikkelingsstoornissen voordoen. De oorsprong van deze verstoorde ontwikkeling is meestal nog niet geheel duidelijk. Huidaandoeningen die worden veroorzaakt door een verstoorde ontwikkeling zijn bijvoorbeeld ichthyose, ectodermale dysplasie en epidermolysis bullosa. Tijdens de ontwikkeling kunnen ook afwijkingen in de bloedvaten van de huid of het onderhuids weefsel ontstaan die gezwellen, angiomen genaamd, tot gevolg hebben. Tevens kan het zijn dat (vrijwel) geen pigment wordt aangemaakt in de huid, haren en ogen. Deze stoornis wordt albinisme genoemd. In zeldzame gevallen is plaatselijk, vooral op de schedel, geen huid gevormd.

 

Meer informatie

Informatie over huid en onderhuids bindweefsel
http://www.huidarts.com
http://www.huidarts.com
http://www.huidinfo.nl
http://www.huidziekten.nl

Informatie over de babyhuid
http://www.huidarts.com/


Chu, D.H., Haake, A.R., Holbrook, K. and Loomis, C.A. (2003), The Structure and Development of Skin, in: Freedberg, I.M., Eisen, A.Z., Wolff, K., Austen, K.F., Goldsmith, L.A. and Katz, S.I. (eds), Fitzpatrick’s Dermatology in General Medicine, 6th ed, vol.1, The McGraw-Hill Companies, Inc., New York. (Engels)

England, M.A. (1996), Life Before Birth, 2nd ed, Mosby-Wolfe, London.(Engels)

Larsen, W.L. (1997), Human Embryology, 2nd ed, Churchill Livingstone, New York. (Engels)

Moore, K.L. and Persaud, T.V.N. (2003), The Developing Human – Clinically Oriented Embryology, 7th ed, Saunders, Philadelphia. (Engels)

Tortora, G.J. and Grabowski, S.R. (2003), Principles of Anatomy & Physiology, 10th ed, John Wiley & Sons, New York. (Engels)

 
Bron:
LSHTM
Copyright:
Medic Info
Datum:
27/11/2008
Disclaimer

ADVERTENTIE