Inleiding
Bloed is een rood gekleurde lichaamsvloeistof die uit twee componenten bestaat: bloedcellen en bloedvloeistof (plasma).
Er zijn drie typen cellen: rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes. De rode bloedcellen geven het bloed zijn rode kleur en zorgen voor het vervoer van zuurstof naar de weefsels en ze brengen koolstofdioxide uit de weefsels naar de longen terug.
De verschillende soorten witte bloedcellen zijn verantwoordelijk voor het bestrijden van infecties en voor de bescherming van het lichaam.
De bloedplaatjes spelen een rol bij het stelpen van bloedingen door op de plaats van de bloeding een stolsel te vormen.
Het plasma bestaat voor 93 procent uit water en voor zeven procent uit levensnoodzakelijke stoffen, zoals (opgeloste) eiwitten, suikers, vetten, zouten, hormonen en vitaminen.
Antigenen
Aan het oppervlak van elke rode bloedcel bevinden zich verschillende stoffen (antigenen) die met het afweersysteem van het lichaam kunnen reageren.
De eigen rode bloedcellen worden niet door het afweersysteem aangevallen, doordat het de antigenen als lichaamseigen herkent.
Antigenen kunnen in verschillende groepen worden onderverdeeld.
De belangrijkste zijn die van het AB0-systeem en het rhesussysteem, genoemd naar de rhesusaap, omdat dit antigeen bij deze dieren voor het eerst werd ontdekt.
ABO systeem: Afhankelijk van het soort AB0-antigeen wordt iemands bloed als A, B, AB, of 0 getypeerd.
Rhesussysteem: Het rhesusantigeensysteem kent een aantal antigenen, waaronder C, c, D, E en e. De belangrijkste is het D-antigeen. Als iemands rode bloedcellen het antigeen D hebben, wordt het bloed rhesuspositief genoemd.
Als de rode bloedcellen het antigeen D niet hebben, wordt het bloed rhesusnegatief genoemd.
Bloedtransfusie en de rhesusfactor
Iemand met rhesuspositief bloed kan bij een transfusie zonder problemen negatief bloed ontvangen, aangezien zijn afweersysteem niet reageert op de afwezigheid van het D-antigeen.
Iemand met rhesusnegatief bloed mag geen transfusie met rhesuspositief bloed ontvangen, omdat zijn immuunsysteem niet gewend is aan de aanwezigheid van antigeen D en op dit antigeen uit het toegediende bloed reageert. Zie
rhesusincompatibiliteit.