Inleiding
De vruchtwaterpunctie is een vorm van prenatale diagnostiek waarmee tijdens de zwangerschap bepaalde aangeboren afwijkingen, zoals het syndroom van Down of een open rug , kunnen worden opgespoord bij het ongeboren kind. Bij de vruchtwaterpunctie wordt een beetje vruchtwater afgenomen en in het laboratorium onderzocht. Een vruchtwaterpunctie wordt uitgevoerd rond de 16de week van de zwangerschap. De medische term voor dit onderzoek is amniocentese.
Indicatie
Een vruchtwaterpunctie wordt alleen uitgevoerd wanneer de aanstaande ouders een verhoogde kans hebben op een kind met een aangeboren afwijking. Dit is onder meer het geval wanneer de aanstaande moeder 36 jaar of ouder is bij 18 weken zwangerschap, aangeboren afwijkingen voorkomen bij de aanstaande ouders, eerdere kinderen of in de directe familie, de aanstaande moeder bepaalde medicijnen gebruikt die schadelijk kunnen zijn voor het ongeboren kind, als bij prenatale screening een verhoogde kans op een aangeboren afwijking wordt gevonden en in geval van zwangerschap na een ICSI-behandeling. Als er geen indicatie is voor een vruchtwaterpunctie, is het niet mogelijk om dit onderzoek op eigen kosten te laten uitvoeren. De aanstaande ouders worden voorafgaand aan de vruchtwaterpunctie uitgebreid voorgelicht over de voor- en nadelen van dit onderzoek.
Onderzoek
Bij een vruchtwaterpunctie wordt via de buikwand van de zwangere vrouw een naald in de baarmoeder gebracht waarmee vervolgens wat vruchtwater wordt afgenomen. De bewegingen van de naald worden met de echo gecontroleerd, zodat de kans op beschadiging zeer klein is. Het inbrengen van de naald kan even pijnlijk zijn, maar een verdoving is niet zinvol omdat die ook pijnlijk is. Het kan geen kwaad wat vruchtwater weg te nemen, omdat het steeds opnieuw wordt aangemaakt.
Uitslag
In vruchtwater zijn cellen van het ongeboren kind aanwezig. Deze cellen worden gekweekt in het laboratorium en daarna onderzocht op afwijkingen. Deze uitslag duurt ongeveer drie weken. Wanneer blijkt dat het kind een ernstige onbehandelbare afwijking heeft, kunnen de ouders beslissen de zwangerschap te beëindigen. De bevalling wordt dan op gang gebracht met behulp van via een infuus toegediende medicijnen die weeën opwekken. Een minder ingrijpende methode om de zwangerschap te beëindigen, zoals een zuigcurettage, kan bij deze zwangerschapsduur niet meer plaatsvinden.
Complicaties
Mogelijke complicaties van een vruchtwaterpunctie zijn onder andere een miskraam en contact tussen bloed van het ongeboren kind en bloed van de moeder. Dit laatste is meestal geen probleem maar bij moeders die rhesus D-negatief zijn en een rhesus D-positief kind dragen kan in dat geval rhesus-antagonisme optreden. Dit betekent dat bij contact tussen het bloed van de moeder en het bloed van het kind worden, door de moeder antistoffen worden gemaakt tegen de rhesus D-factor in het bloed van de baby. Dit kan problemen geven bij een eventuele volgende zwangerschap. Om dit te voorkomen krijgen rhesus D-negatieve moeders na de ingreep uit voorzorg een injectie met anti-D waardoor de kans op de aanmaak van antistoffen wordt verkleind. De kans op een miskraam is bij een vruchtwaterpunctie ongeveer 3 à 4 op 1000. Dit betekent dat als 1000 zwangere vrouwen een vruchtwaterpunctie laten doen, drie tot vier vrouwen een miskraam krijgen door dit onderzoek. De kans op een miskraam is bij een vruchtwaterpunctie iets kleiner dan bij een vlokkentest .
Begeleiding
De keuze wel of geen prenatale diagnostiek laten doen kan erg ingewikkeld zijn. De verloskundige, huisarts of gynaecoloog kan informatie en uitleg geven en begeleiding bieden. Gebruik maken van prenatale diagnostiek is niet verplicht. De aanstaande ouders bepalen zelf of ze de onderzoeken willen en of ze bij een ongunstige uitslag nog vervolgonderzoek laten doen. Ook kunnen ze op elk moment stoppen met de onderzoeken.