De late bloedtest is een vorm van prenatale screening en wordt ook wel tripeltest genoemd. Dit onderzoek vindt plaats bij een zwangerschapsduur van 15 tot 19 weken.
De late bloedtest is minder betrouwbaar dan de combinatietest en wordt nog maar weinig gebruikt. Als het te laat is voor de combinatietest, dus wanneer een vrouw langer dan 14 weken zwanger is, kan een tripeltest worden uitgevoerd.
Prenatale screening
Prenatale screening is onderzoek tijdens de zwangerschap om te beoordelen of het ongeboren kind een verhoogde kans heeft op een aangeboren afwijking, zoals het syndroom van Down of een open rug. Met bepaalde onderzoeken wordt de kans dat het kind een aandoening zou kunnen hebben berekend. Alle zwangere vrouwen komen in aanmerking voor prenatale screening. Deze screening staat los van leeftijd, gezondheid en de vraag of er aangeboren aandoeningen in de familie of die van de partner voorkomen.
Bloedonderzoek
Bij de late bloedtest worden de waarden van drie stoffen in het bloed van de zwangere vrouw gemeten. Dit zijn serum-alfafoetoproteïne (AFP), hCG en oestriol. De bloedafname vindt plaats tussen de 15 en 19 weken zwangerschap. De hoogte van deze drie stoffen wordt gecombineerd met de leeftijd en het gewicht van de aanstaande moeder en de exacte zwangerschapsduur. Hieruit wordt de kans berekend op het syndroom van Down en de kans op een open rug. Aan het onderzoek zijn geen risico’s verbonden. De uitslag is na ongeveer twee weken bekend.
Uitslag
Als uit de test blijkt dat de kans op een kind met het syndroom van Down of een open rug verhoogd is, komt de zwangere vrouw in aanmerking voor verder onderzoek. Dit vervolgonderzoek wordt prenatale diagnostiek genoemd en kan bestaan uit een vruchtwaterpunctie, vlokkentest of uitgebreid echo-onderzoek. Deze vervolgonderzoeken zijn niet verplicht.
Beperkingen
Er kan niet met zekerheid worden vastgesteld of het kind de aandoening wel of niet heeft. De vroege bloedtest geeft alleen de kans op het syndroom van Down en een open rug aan. Bij een lage kans kan de aandoening toch aanwezig zijn. En bij een hoge kans staat nog niet vast dat de aandoening ook daadwerkelijk aanwezig is. Ook wordt niet altijd antwoord gegeven op de vraag gegeven of het kind verder gezond is en in welke mate een eventuele aandoening zijn of haar leven zal beïnvloeden.
Begeleiding
De keuze wel of geen prenatale screening te laten doen kan ingewikkeld zijn. De huisarts, verloskundige of gynaecoloog kan informatie en uitleg geven en begeleiding bieden.
Meer informatie
Informatie van het Nederlands Huisartsen Genootschap
http://nhg.artsennet.nl
Informatie van de Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen
http://www.knov.nl
Informatie van het Erfocentrum
http://www.prenatalescreening.nl